1 Wanneer we wat hiervoor gezegd is, kort samenvatten, zien we het volgende: wij hebben een hogepriester die zijn plaats in de hemel aan de rechterhand van de troon van de goddelijke majesteit heeft ingenomen. 2 Hij is de hogepriester van de heiligen en van de echte heilige tent die God de Heer zelf – en niet een mens – heeft opgezet. 3 Want zoals elke hogepriester tot taak heeft gaven en offers te brengen, moet ook hij iets hebben wat hij als offer op het altaar kan leggen. 4 Zou hij op aarde zijn, dan zou hij helemaal niet als priester worden toegelaten. Want daar zijn al priesters die de volgens de wet van Mozes voorgeschreven offers brengen. 5 Het zijn mensen die slechts een kopie en een schaduwbeeld dienen van het hemelse heiligdom, overeenkomstig de aanwijzing die Mozes ontving toen hij de tent van God moest maken. De Heer zei: “Geef er wel acht op dat je alles volgens het model maakt dat je op de berg is getoond.”

6 Maar nu heeft hij een veel voortreffelijker priesterlijke dienst gekregen, daar hij middelaar is van een beter verbond dat op de grondslag van betere beloften wettelijk werd vastgelegd. 7 Ik zeg: een beter verbond; want als het eerste verbond volmaakt was, zou het niet nodig zijn geweest er een tweede voor in de plaats te stellen. 8 Maar God spreekt zijn afkeuring uit tegen de mensen van het eerste verbond met de woorden: “Weet wel,” spreekt de Heer, “er zal een tijd komen dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond wil sluiten; 9 geen verbond zoals ik dat indertijd met hun voorvaderen gesloten heb, toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te leiden; want aan dat verbond zijn ze niet trouw gebleven en daarom heb ik me niet meer om hen kunnen bekommeren,” spreekt de Heer. 10 “Hieruit zal het verbond bestaan, dat ik na die tijd met het huis Israël zal sluiten: ik zal mijn wetten in hun innerlijk leggen en ze in hun hart schrijven; dan wil ik weer hun God zijn en zij zullen weer mijn volk zijn. 11 Dan hoeft niemand zijn medeburger of zijn broeder te onderrichten en tegen hem te zeggen: ‘Leer de Heer kennen.’ Want zij allen zullen mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen. 12 Ik zal namelijk genadig zijn wat betreft hun misstappen en hun zonden van de afvalligheid en hun goddeloosheid nooit meer gedenken.”

13 Met de woorden ‘nieuw verbond’ heeft hij het eerste voor verouderd verklaard. Maar wat verouderd is en zichzelf overleefd heeft, is rijp om afgeschaft te worden.