1 Daarom moeten wij ons nog grondiger met datgene bezighouden wat we zojuist hebben gehoord, opdat het nooit meer uit ons geheugen verdwijnt. 2 Dus, als de boodschap die door engelen van God verkondigd werd al volstrekt overeenkomstig de waarheid was en elke overtreding en elke ongehoorzaamheid tegen zo’n boodschap de verdiende straf aantrok, 3 hoe veel te minder zullen wij dan de straf ontlopen als we zo’n heerlijke heilsboodschap buiten beschouwing laten, die eerst door de Heer zelf verkondigd werd en ons vervolgens als waarheid bevestigd werd door hen die de Heer persoonlijk hebben gehoord. 4 Daarbij betuigt God zelf dat de uitspraken van deze oorgetuigen de waarheid bevatten; want hij bekrachtigde die door tekenen en wonderen en andere bewijzen van goddelijke macht en ook door het feit dat hij ieder afzonderlijk een heilige geest toebedeelde in de mate die hij goed achtte.

5 Want hij heeft het toekomstige rijk, waarvan we hier spreken, niet onder engelen geplaatst. 6 Wie de koning van dit rijk is, daarvan heeft ooit iemand met de volgende woorden getuigd: “Wat is een mens dat u hem in gedachten houdt of een mensenzoon dat u uw blik op hem richt? 7 En toch hebt u één als mensenzoon voor korte tijd vernederd onder de engelen, maar hem dan met heerlijkheid en eer gekroond; 8 u maakte alles ondergeschikt aan hem als koning en hebt hem tot Heer over de werken van uw hand voorbestemd.”

Als hier dus wordt gezegd dat God alles aan hem ondergeschikt maakte, moet daarmee benadrukt worden dat daar geen uitzonderingen op zijn. Nu is echter, zoals we kunnen zien, nog niet alles ondergeschikt aan hem. 9 Maar wij erkennen dat het Jezus is die voor korte tijd onder de engelen gesteld werd en dat hij het is die door zijn lijden en zijn dood de kroon van de heerlijkheid en de eer verdiende en dat hij door de barmhartigheid van God de dood smaakte voor een ieder. 10 Want het was in het heilsplan van God voorzien om diegene door lijden tot volmaaktheid te brengen, ter wille van wie en door wie het heelal was geschapen; hij, die ooit zo vele kinderen tot heerlijkheid gebracht had; hij, die de afvallige kinderen nu ook weer naar het heil moet terugbrengen. 11 Want hij die naar heiliging leidt en zij die naar de heiliging geleid worden, hebben allen dezelfde Vader. Daarom schrikt hij er ook niet voor terug hen zijn broeders te noemen, waar hij zegt: 12 “Ik zal uw naam bekend maken bij mijn broeders; in de gemeente wil ik uw lof verkondigen.” En op een andere plaats: 13 “Ik zal het zijn die heel zijn vertrouwen op hem stelt.” En ook: “Zie, hier ben ik en hier zijn de kinderen die God mij gaf.” 14 Omdat hij de kinderen in een lichaam van vlees en bloed gehuld had, moest ook hij deel hebben aan hetzelfde lot. Daardoor zou hij de mogelijkheid hebben de aardse dood te ondergaan, om de macht te ontnemen aan hem die de heerser over de geestelijk doden is, namelijk de duivel. 15 Hij moest al diegenen weer in vrijheid stellen die tijdens alle tijdperken van hun aardse bestaan in de ban leefden van de vrees voor de vorst van de dood en zo in slavernij werden gehouden. 16 Daarom zijn het geenszins engelen over wie hij zich moest ontfermen, maar de echte nakomelingen van Abraham moest hij hulp brengen. 17 Daarom moest hij de broeders in alles gelijk worden; hij moest een barmhartige en trouwe hogepriester worden voor alle schepselen die weer tot God terug willen keren. Hij moest de brug bouwen waarover de scharen, die de zonde van de afvalligheid begaan hadden, weer naar huis konden terugkeren. 18 Omdat hij zelf zo zwaar te lijden had onder de verzoeking om afvallig te worden, is hij bijzonder geschikt om hulp te geven aan hen die aan dezelfde verzoeking worden blootgesteld.