1 Weg dus met al het slechte. Weg met alle onoprechtheid. Weg met alle huichelarij, alle afgunst en elke vorm van kwaadsprekerij. 2 Wees als pasgeboren kinderen en verlang naar onvervalste melk die je in Gods woord wordt aangereikt. Daardoor gevoed, zul je opgroeien, totdat je rijp bent om je heil te verwerven. 3 Jullie hebben immers al een voorproefje van de goedheid van de Heer gekregen, sinds jullie met hem in verbinding kwamen. 4 Hij is de steen van het leven. Weliswaar hebben de mensen hem als waardeloos aan de kant gegooid. Maar voor God is hij een uitverkoren edelsteen. 5 Door hem worden ook jullie levengevende stenen die gebruikt worden voor de bouw van een geestelijk huis. Jullie worden een heilig priesterschap dat geestelijke offers brengt, offers die God zo welgevallig zijn, omdat ze in de gemeenschap met Christus Jezus worden gebracht. 6 Want in de schrift staan de woorden: ‘Zie, in Sion leg ik een uitverkoren, kostbare hoeksteen neer. Wie zijn gelovig vertrouwen in hem stelt, zal niet worden teleurgesteld.’ 7 Voor jullie, die het vertrouwen in hem stellen, is hij dus een eresteen. Maar voor degenen die geen vertrouwen in hem hebben, is hij de steen die de bouwlieden als waardeloos aan de kant gooiden, 8 maar die tot hoeksteen werd en daarom een steen waar men tegenaan loopt en tot een rots waar men tegen te pletter slaat. Zij stoten zich aan deze steen, omdat zij weigeren de woorden van God te gehoorzamen; deze weigering te gehoorzamen is ook in hun lot voor hen vastgelegd. 9 Daarentegen zijn jullie een uitverkoren schare, een koninklijk priesterschap, een heilige gemeente, een voor God gewonnen volk. Jullie moeten de geweldige macht verkondigen van hem die je vanuit het rijk van de duisternis in zijn wonderbaarlijk lichtrijk heeft teruggeroepen. 10 Ooit werden jullie ‘volk zonder God’ genoemd, maar nu worden jullie ‘volk van God’ genoemd. Ooit waren jullie ‘degenen die van de erbarming van God waren uitgesloten’, nu zijn jullie ‘degenen die in de erbarming van God zijn ingesloten’.

11 Geliefden, ik richt de volgende vermaningen tot jullie als mensen die op deze wereld geen echt thuis en geen echt vaderland hebben. Onthoud je van datgene waartoe aardse begeerten je proberen te verleiden; want de aardse begeerte is een vijand van de ziel.

12 Leid onder de heidenen een goed leven, opdat zij, die jullie nu als misdadigers bestempelen, je nobele daden zien en dientengevolge God de eer geven wanneer op een dag het oog van God met barmhartige liefde ook op hen rust.

13 Onderwerp je aan elke menselijke verordening die op verzoek van de Heer wordt uitgevaardigd; 14 of die nu van de Heer zelf als koning en opperste machthebber uitgaat, of van de onder hem staande leiders die door hem werden gezonden om de boosdoeners ter verantwoording te roepen en hen te prijzen die het goede doen. 15 Want het is de wil van God dat jullie mede het goede doen, opdat degenen die allerlei dwaasheden over je vertellen, omdat zij niet beter weten, tot zwijgen worden gebracht. 16 Jullie moeten tot de waarachtig vrije mensen behoren; niet vrij in de zin dat jullie de vrijheid als dekmantel voor het slechte gebruiken, maar in zoverre vrij dat jullie aan niemand anders dan aan God alleen dienstbaar zijn.

17 Wees voorkomend tegen iedereen, heb je naaste lief, pas ervoor op God te beledigen en geef ook de koning de eer die hem toekomt.

18 Jullie die in dienst van anderen zijn, doe je uiterste best de aanwijzingen van je meesters op te volgen; en dus niet alleen van de vriendelijke en milde meesters, maar ook van de humeurige. 19 Want als iemand met betrekking tot God onverdiend leed geduldig verdraagt, levert hem dat een beloning op. 20 Welke bijzondere eer zou het toch voor jullie zijn als je slechts geduldig volhardt in tegenspoed die bedoeld is als tuchtiging voor jullie misstappen? Maar wanneer jullie ondanks je goede levenswandel lijden moeten ondergaan en je verdraagt dit met geduld, dan kun je een beloning van de kant van God verwachten. 21 Want leed is onlosmakelijk verbonden met je roeping. Ook Christus heeft voor jullie geleden en heeft jullie daardoor een voorbeeld nagelaten. Jullie moeten in zijn voetstappen treden. 22 De zonde van de afvalligheid van God heeft hij niet begaan en een leugen tegen God kwam nooit over zijn lippen. 23 Wanneer hij werd gehoond, heeft hij nooit teruggehoond; en tegen hen die hem leed aandeden, uitte hij geen bedreigingen, maar hij liet alles over aan hem die met rechtvaardigheid zal oordelen. 24 Onze zonden van de afvalligheid heeft hij in zijn lichaam meegenomen op het kruishout, opdat wij aan het leven in zonden zouden afsterven en een nieuw leven, een voor God welgevallig leven zouden beginnen. Door zijn dodelijke wonden werden ook jullie genezen. 25 Want ook jullie dwaalden ooit rond als schapen zonder herder. Maar nu zijn jullie teruggekeerd naar de herder en behoeder van jullie zielen.