1 Er is dus geen sprake meer van dat zij, die in de gemeenschap met Christus zijn, veroordeeld worden. 2 Want de rechtsorde in het rijk van de geestenwereld die in gemeenschap met Christus Jezus leeft, bevrijdde mij van de rechtsorde die in het rijk van de zonde van de afvalligheid en de geestelijke dood van de scheiding van God heerst. 3 Wat de wet van Mozes niet klaarspeelde omdat die te zwak bleek te zijn tegenover de aardse begeerten, heeft God wel voor elkaar gekregen. Hij zond zijn eigen Zoon in een aards lichaam, gelijk aan dat van andere zondige mensen. Hij zond hem omwille van de zonde van de afvalligheid en velde door hem het vernietigingsoordeel tegen de heerschappij die deze zonde over al het aardse voerde, 4 opdat de eis van de wet van Mozes bij ons zou worden vervuld dat wij niet leven overeenkomstig de aardse begeerten, maar ons door een geest van God laten leiden. 5 Want de aardsgezinden zijn slechts bedacht op het aardse, maar zij die door een geest van God worden geleid, zijn bedacht op datgene waartoe deze geest hen aanspoort. 6 Het streven naar dat waartoe de aardse begeerte ons aanzet, brengt de geestelijke dood. Maar het streven naar dat waartoe de geestenwereld van God ons aanzet, brengt het ware leven en vrede. 7 Daarom is het aardse streven vijandig tegen God. Het is immers niet in harmonie met de wet van God – en kan er ook niet mee in harmonie zijn. 8 De aardsgezinden kunnen daarom niet het welgevallen van God vinden. 9 Jullie behoren niet tot de aardsgezinden, maar tot hen die zich door een geest van God laten leiden; want een geest van God is bij jullie komen wonen. Maar wie geen door Christus gezonden geest bij zich heeft, behoort Christus ook niet toe. 10 Maar als Christus in gemeenschap met jullie staat, behoort je lichaam weliswaar nog toe aan het rijk van de dood ten gevolge van de zonde van de afvalligheid, maar je geest bezit het geestelijke leven ten gevolge van je trouw aan God. 11 Als nu de geestenwereld van hem die Jezus uit het rijk van de geestelijk doden naar boven leidde bij jullie haar intrek heeft genomen, zal dezelfde die Christus Jezus uit het dodenrijk bevrijdde ook jullie lichamen, die nog toebehoren aan het rijk van de geestelijke dood, met de straling van het leven doordrenken door zijn geestenwereld die bij jullie is komen wonen.

12 Zo hebben, broeders, de aardse begeerten dus geen aanspraak meer op ons dat wij naar hun wil zouden moeten leven. 13 Want als jullie overeenkomstig die begeerten zouden leven, dan zouden jullie de geestelijke dood moeten ondergaan. Maar als jullie met hulp van een geest van God alles wat uit de zondige begeerte voortkomt in je doodt, zullen jullie het ware leven verkrijgen. 14 Zij die zich namelijk laten leiden door een geest van God, behoren tot de kinderen van God. 15 Jullie hebben immers geen geest ontvangen die je weer tot slaaf wil maken, zodat jullie bang voor hem moeten zijn, maar jullie ontvingen een geest die je tot kind van God wil maken, zodat wij samen met hem in vreugde kunnen uitroepen: “Abba, vader!” 16 Zo treedt de geestenwereld van God zelf gelijktijdig met onze eigen geest op als getuige dat wij kinderen van God zijn. 17 Zijn wij echter kinderen, dan behoren wij ook tot de erfgenamen; dan zijn wij namelijk erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, vooropgesteld dat wij aan zijn lijden deelnamen om ook aan zijn verheerlijking te kunnen deelnemen.

18 Ik ben namelijk van mening dat het lijden van dit aardse leven niet kan worden vergeleken met de heerlijkheid die zich later voor onze ogen zal openbaren. 19 De hele schepping wacht immers vol verlangen op deze openbaring van de heerlijkheid die de kinderen van God ten deel zal vallen. 20 De materiële schepping is onderworpen aan de vergankelijkheid, niet uit eigen vrije wil, maar door de wil van hem die haar onderwerping teweeggebracht heeft en wel in de hoop 21 dat deze schepping zich vrij zal maken van de slavernij van het verderf en zo tot de vrijheid komt die in de heerlijkheid van de kinderen van God bestaat. 22 Want wij weten dat de hele materiële schepping tot op dit uur zucht en onder pijn op een nieuwe geboorte wacht, net als wij. 23 Want niet alleen zij, maar ook wij zelf, die de geestenwereld van God toch als eerste gave reeds bezitten, zuchten eveneens innerlijk, terwijl we op de bevrijding van ons lichaam wachten. 24 Want op grond van ons hoopvol vertrouwen werden wij gered. Maar een hoop die men reeds verwerkelijkt ziet, is geen hoop meer; want waarom zou iemand nog hopen als hij de vervulling reeds voor zich ziet?

25 Als wij nu hopen op datgene wat we nog niet vervuld zien, wachten wij rustig en geduldig de vervulling af. 26 Ook op dit punt helpt de geestenwereld van God ons, rekening houdend met onze menselijke zwakheid. Wij weten immers niet eens om wat en op welke manier wij moeten bidden. Dan komt de geestenwereld van God zelf ons te hulp in gebedsverzuchtingen die niet in menselijke woorden uitgedrukt kunnen worden. 27 En hij die de harten onderzoekt, kent de wens van deze geestenwereld; hij weet dat zij met haar voorspraak bij God wil opkomen voor hen die naar God zoeken. 28 Het is ons immers bekend dat voor hen die God liefhebben, alles eraan meewerkt dat zij hun hoge doel bereiken, namelijk voor hen die volgens het plan van de goddelijke roeping aan de beurt zijn. 29 Want degenen die God in de eerste plaats geschikt bevond, heeft hij ook in de eerste plaats ertoe bestemd om gelijk te worden aan het beeld van zijn Zoon, opdat deze de eerstgeborene onder vele broers en zusters zal zijn. 30 Die hij in de eerste plaats daartoe bestemd heeft, heeft hij ook tot zich geroepen en die hij tot zich riep, maakte hij ook tot zijn vrienden en die hij tot zijn vrienden maakte, leidde hij ook in zijn heerlijkheid.

31 Welke andere conclusie kunnen we nu uit deze feiten trekken dan deze: ‘Als God voor ons is, wie kan dan nog tegen ons zijn? 32 Als hij zelfs niet eens zijn eigen Zoon ontzag, maar hem voor ons allen weggaf, zal hij ons dan gelijk met hem niet ook al het andere uit ontferming schenken?’ 33 Wie zou tegen de door God uitverkorenen als aanklager kunnen optreden? God zelf soms? Maar hij maakt hen immers tot zijn vrienden. 34 Wie wilde hen veroordelen? Christus soms? Maar hij is het toch die voor hen stierf – en wat nog meer is – die voor hen uit het dodenrijk terugkeerde; die ook aan de rechterhand van God zit en die met zijn voorspraak voor ons opkomt. 35 Wie kan ons dus van de liefde van Christus scheiden? Tegenspoed of verdrukking soms, vervolging of honger of gebrek aan kleding, doodsgevaar of het zwaard van de beul? 36 Er staat immers in de schrift: ‘Om uwentwil zijn wij dag na dag in levensgevaar; wij werden voor slachtdieren gehouden.’ 37 Maar al dit lijden zullen wij uit liefde voor hem die ons zozeer heeft liefgehad, zegevierend doorstaan. 38 Zo heb ik dan de zekerheid dat dood noch leven noch een engel van satan noch andere krachten en machten van satan noch tegenwoordige of toekomstige gebeurtenissen 39 noch machten van de aarde of machten uit de lucht of uit de diepte noch iets anders in de schepping in staat zal zijn ons van de liefde van God te scheiden die zich in Christus Jezus, onze Heer, geopenbaard heeft.